Watersnood 1926

 

Dit huis staat aan de Walstraat nr. 15 in Appeltern en is, volgens de vrouw die we er 6 november 2013 spraken en daar woont, gebouwd door een officier van Napoleon. Reden van ons bezoek, Henk Buiteman en ik, was dat we te horen hadden gekregen dat er tegen het huis een merk zou zijn van de maximale waterstand daar ten tijde van de watersnood (dijkdoorbraak aan de Maas bij Overasselt) Oudjaar 1925 en het hele land van Maas en Waal toen lange tijd flink onder water heeft gestaan. De expositie te Wijchen “Het water komt” laat niet zien (wel veel foto’s van huizen onder water) hoe hoog het maximale peil toen was. Voor het realiseren van een merkteken ervan, aan de te plaatsen peilschaal bij het stoomgemaal de Tuut, is het interessant te weten hoe hoog het water in 1926 daar toen heeft gestaan. De bouwers van het huis hebben al rekening met hoogwater gehouden en de woonruimte ligt een paar traptreden hoger dan de verdie-ping eronder met de achterdeur (stallen destijds?) In de achtergevel bleek boven de achteringang van het huis, een hardsteen met inscriptie aangebracht “Watersnood 1925” Heeft de eigenaar dat merk aan laten brengen of de gemeente of een monumenten- of Heemkundeorganisatie? Dat is de moeite van het uitzoeken waard.

 Leo van Hulst

 

Het waterpeil bij het stoomgemaal tijdens de watersnood van 1926 

(door Leo van Hulst)

 

De dijkdoorbraak bij Overasselt op oudjaarsdag 1925 is in de geschiedenis van Maas en Waal een heftige gebeurtenis voor de inwoners geweest. Het peil in de Maas steeg in korte tijd hoger dan ooit tevoren door veel snel smeltende sneeuw in Frankrijk en België en ook nog eens door zware regenval. Die regenbuien volgden de hoogwatergolf, zodat die nóg hoger werd. Het gebied van Maas en Waal, dat als een grote badkuip is te beschouwen, liep door de dijkbreuk in Overasselt helemaal vol. Het werd een onbedoeld retentiebekken, maar het zorgde er wel voor dat er stroomafwaarts minder Maaswater naar zee ging. Bij zoveel water in de rivier is het verschil tussen de peilen stroomopwaarts en -afwaarts groot. Alleen de oudste woonkernen in het Land van Maas en Waal, gebouwd op hoge zandruggen nog vóórdat er rivierdijken waren, bleven droog. De polder stroomde steeds voller. Het gevolg daarvan was dat het water bij Dreumel binnendijks hoger kwam te staan dan in de Maas. Door bij Moordhuizen een fiks gat in de rivierdijk te maken liep het water daar toen naar buiten de Maas in. Hiervan is nog het nodige te zien in Streekmuseum Tweestromenland te Beneden – Leeuwen. Hoewel er veel is gedocumenteerd, bleek er geen informatie te zijn over de maximale waterstand destijds. Maar aan de hand van foto’s van huizen en boerderijen die onder water hadden gestaan, was er wel wat in te schatten. Hoe hoog het water bij het stoomgemaal in Appeltern had gestaan, was echter niet duidelijk. Had De Tuut ook onder water gestaan? Zeker wel.

Het stoomgemaal, sinds 1918 in bedrijf, was toen al zo’n acht jaar operationeel en het heeft een zeer belangrijke rol gespeeld bij het droogpompen van het gebied.  Vroeger, achter bij de vlonder, was er een peilschaal tegen het gebouw, die het waterpeil in de wetering aangaf. (zie rode pijl) De machinist kon daarop zien hoeveel water er nog de hoge Maas ingepompt moest worden om weer tot een normaal polderpeil te komen. Deze meting werd ook altijd in het wachtboek van de machinist genoteerd. Die originele peilschaal is daar nu niet meer aanwezig, omdat hij aan de randen sterk was weggeteerd, maar hij is nu als relikwie opgehangen in de machinekamer. Oud-vrijwilliger Willem van Gelder zorgde voor een passende houten plank op maat. Dit werd zijn laatste project voor De Tuut.

Aangezien we van de elektriciteitscentrale in Nijmegen een partij nieuwe peilschalen van elk een meter lang hadden gekregen, ontstond het idee om deze peilschalen op een houten frame zo hoog te maken dat ook het maximale waterpeil in 1926 daarop kon worden aangegeven. Dat is dan leuke informatie voor de bezoekers en het benadrukt het belang van goede zorg voor onze dijken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De firma Waterflex uit Wijchen zegde een speciaal te maken peilmeting toe voor aan de muur.

 

Als officiële gegevens er niet (meer) zijn, dan zijn er echter nog wel andere manieren om zaken op te sporen. Oude inwoners uit de omgeving zouden zeker nog informatie kunnen verschaffen. En toen begon het navragen. Zo wist iemand te vertellen dat ze vroeger thuis dat peil op een kast hadden aangebracht, maar die kast was allang verdwenen. Wél werd op een gegeven moment gemeld dat er langs de wetering ergens een oud huis zou staan met een aangebracht merkteken op de gevel. Het betreffende huis werd gezocht en gevonden. Daar was echter niets op de voorgevel te zien, maar bij navraag aan de bewoners bleek er een merkteken op de achtergevel te zijn aangebracht. Het huis is, volgens de verhalen, in vroeger tijden gebouwd door een officier van Napoleon en – rekening houdend met regelmatige wateroverlast – had men het woongedeelte op de eerste verdieping ingericht.

Boven de achterdeur op de begane grond was een hardsteen ingemetseld, die was afgeleid van de merken die in 1926 in het stucwerk waren gezet. Golfjes met de tekst: WATERSNOOD 1926. 

 

 

 

 

 

 

 

 

De bewoners vonden het een leuk idee dat er meer gegevens over verzameld en vastgelegd zouden worden en het (mini)projectje werd opgestart. Voor een goed opmeten van dit soort zaken moet men natuurlijk bij een gespecialiseerde meetdienst van het kadaster, bij een gemeente of bij het lokale waterschap zijn. Die laatste instantie zegde toe te komen kijken.

 

Op woensdag 27 november 2013 kwamen er twee man sterk met alle materiaal ter plaatse. Na de koffie en uitleg in de vrijwilligersruimte van De Tuut gingen de mannen meteen aan de slag. De tijd waarin alles vanaf de torenspits in Amersfoort via heel veel meetpunten werd bepaald, is allang voorbij. Voor alle duidelijkheid: omdat de toren van veraf is te zien en omdat hij redelijk centraal in Nederland ligt, is de spits rond het jaar 1900 gekozen als  oorsprong voor het Nederlandse coördinatenstelsel. Van oudsher stonden er vaak peilschalen op oude gebouwen en aan de grote rivieren stonden dikwijls merktekens van bijzondere hoogwaterpeilen. Door sloop en herinrichting is er echter veel verdwenen en verloren gegaan. De medewerkers van het waterschap beschikken tegenwoordig over hypermoderne spullen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de vele satellieten die om onze wereldbol cirkelen. Zo heeft elk zichzelf respecterend (rijk) land een systeem om vooral niet afhankelijk te zijn van anderen. Steeds meer mensen hebben ingebouwde navigatieapparatuur in de auto en maken daar volop gebruik van. Het vinden van het gezochte adres is niet altijd even nauwkeurig, maar voor de gebruikers voldoet het prima. Heel anders wordt het wanneer een grote nauwkeurigheid is gewenst en waar het om millimeters gaat. De aarde is niet een zuiver ronde bol, de satellieten vliegen niet in exact ronde banen (door verschillen in zwaartekracht van de aarde) en ga zo maar door. Er zijn systemen bedacht om al die invloeden te berekenen en ze te gebruiken voor een exacte positiebepaling. Daarbij wordt niet alleen gebruik gemaakt van verbindingen met de vele GPS satellieten, maar tegelijkertijd ook met die van GSM steunzenderlocaties en ingewikkelde software om alles aan elkaar te breien. Zo heeft Leica een compensatiesysteem waarvan tegen betaling gebruik gemaakt kan worden. Voor de goede orde: GPS, Global Positioning System, is de commerciële naam voor een wereldwijd satelliet plaatsbepalingssysteem dat vanaf 1967 werd ontwikkeld. GSM is de afkorting van Global System for Mobile Communications.

Het inmeten van de historische gevelsteen

De bewoner van het huis had toestemming gegeven om zijn terrein te betreden en de historische gevelsteen in ogenschouw te nemen. Het was niet mogelijk om ‘even’ de juiste hoogte ervan boven NAP vast te stellen, want er was daar geen goede, betrouwbare ontvangst van de GPS satelliet en GSM verbindingen ontbraken er.

 

Een eind verderop bleek de ontvangst van genoemde signalen echter goed genoeg. Daar werd dan ook een piket in de grond geslagen en na een aantal metingen kon precies worden bepaald wat daarvan de juiste hoogte was t.o.v. NAP.

Vervolgens werd als hulpmiddel gebruik gemaakt van een roterende laser, die – verderop op een solide driepoot geplaatst – een ‘scherm’ gaf dat precies horizontaal reikte tot het piketje en eveneens tot het hoogwatermerk in de achtergevel van het huis.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zo’n lasermeting moet worden gezien als een waterpassing. Met een meetlat waarop een verschuifbare laserdetector zit, kon worden gemeten hoe hoog dat laserscherm boven het piketpaaltje stond. Daarna kon bij de achtergevel worden gemeten hoe hoog de golfjes op de historische steen boven het laserscherm lagen. En daarmee was de exacte positie van de steen dus bepaald, te weten NAP + 8,97 m. De volgende stap was om deze hoogte over te brengen naar het gemaal want dat was de eigenlijke bedoeling van deze missie.

 

 

 

 

 

Het vastleggen van het weteringniveau

Er is gebruik gemaakt van de eigenschap dat niet-stromend water zonder windinvloeden redelijk ‘waterpas’ staat. Op die bewuste dag was er nauwelijks sprake van enige stroming in de uitwateringssluis naar de Maas. Op een plek langs de dijk van de wetering waar een goede ontvangst was van de signalen, is vastgesteld wat het waterpeil van de wetering was t.o.v. NAP. En aan de hand daarvan is de hoogte van de vlonder aan de buitenkant van het gemaal onder de nieuwe kelderdeur boven het peil van de wetering gemeten. Die bleek NAP + 6,83 m te zijn. Omdat inmiddels bekend was dat het hoogste waterpeil in 1926 NAP + 8,97 m was, kon dat worden afgetekend op de buitenmuur. De kelder onder de machinekamer heeft en had oorspronkelijk een aantal kleine openingen in de vloer om lekwater af te voeren naar de wetering. Het stijgende water ervan is via die openingen naar binnen gekomen, waardoor de

 

 

 

 

kelder geheel onder water is gelopen. Het niveau toen bleek hoger te zijn dan de veel later gemaakte buitendeur van de kelder onder de machinekamer.

Wat betekent dit nu allemaal?

Kelder

Met een kelder onder de machinekamer die tot aan het plafond gevuld was met water, was inbedrijfstelling van het gemaal per definitie onmogelijk. Alle installatiedelen stonden daar onder water en ook de lager liggende kolenopslag en de ketels in het ketelhuis hadden met een waterhoogte van ca. één meter te maken. Dat is tot de rand van de trechters onder de voedingwater injecteurs. Het water heeft tot ongeveer halfhoog in de vuurgangen gestaan en dus ook in de rookgaskanalen en onderin de schoorsteen. Een afschuwelijke situatie.

 

Ketelhuis met aangegeven hoogte waterstand in 1926

 

 

 

 

Daarbij kwam ook nog eens dat de benodigde stokers uit de omgeving met hun onder water staande woningen wel andere zaken aan hun hoofd hadden dan werken op het gemaal. De huizen (twee onder één kap) van opzichter en machinist daarentegen waren tegen de dijk gebouwd en bleven droog! Alleen de kelderruimte in de machinistenwoning (toen Fliervoet er woonde was dat een bijkeuken) stond gedeeltelijk onder water. Het gemaal was alleen bereikbaar over de dijk, maar hoe kom je daar vanuit je ondergelopen huis? Vervoer was alleen per roeiboot mogelijk.

 

 

Het gemaal is destijds zodanig ontworpen dat het hoge Maaswater via de centrifugaalpompen (zonder terugslagkleppen) nog net niet de polder kon instromen. Waarschijnlijk wilde men, toen het water voldoende was gezakt, zo snel mogelijk aan de slag met het droogmalen van het Land van Maas en Waal. Het laagste punt van de installatie was/is de keldervloer onder de machinekamer. Die ligt vrijwel op hetzelfde niveau als de gemetselde vloeren in de rookgaskanalen. Het water moest dus in elk geval twee meter zijn gezakt, wilde de installatie weer opgestart kunnen worden. Hoe dat verder in die chaotische omstandigheden is verlopen is nooit vastgelegd, of deze informatie is op e.o.a. manier verdwenen. Hoe dan ook, het zal een enorm gedoe zijn geweest destijds. Niet alleen overal hoogwater, maar dat dan ook nog eens in de winter. Nog in datzelfde jaar presenteerde ingenieur Lely van Rijkswaterstaat in opdracht van de toenmalige regering een totaalplan om de Maas te herstructureren. Hij stelde voor om veel bochten af te snijden, waardoor de rivier vele kilometers korter zou worden en het water – met minder hindernissen – gemakkelijker naar zee kon. Consequentie was wel dat in de zomer – met weinig aanvoer van regenwater – de Maas praktisch helemaal leeg zou staan. Vóór die tijd al was het in erg droge zomers soms mogelijk om óf te voet óf met paard en wagen de overkant van de Maas te bereiken. Om de mogelijkheden voor de scheepvaart te verbeteren werden er stuwcomplexen ingebouwd, die het water ca. vier meter konden opstuwen. Zo was er bij minimale afvoer toch voldoende waterstand om (vracht)schepen te kunnen laten varen. Voorts werden de dijken sterk verbeterd en uiteindelijk verdween zelfs de Beerse Overlaat, waardoor Noord-Brabant bij een hoge stand van de Maas niet meer tot voorbij Den Bosch kon onderlopen.