De machinisten en stokers van het Maasbommelsch gemaal

De machinisten

 

De eerste machinist vanaf de bouw in 1868 is (nog) niet bekend.

De tweede machinist werd P.J. Herckenrath vanaf 1882 tot  hij in Maasbommel op 10 oct 1910 overleed.

Na de ombouw van het gemaal  1910/1911 werd Louis Fliervoet  benoemd.

Hij was machinist  vanaf 1912  tot 1918 maar  ging later naar het in aanbouw zijnde stoomgemaal aan de Appelternsche sluis.

De vierde machinist op dit gemaal werd Johan Christiaan Greep van 31 dec 1918 tot 1 mei 1945.

Het polderbestuur van dorpspolder Maasbommel had hem al op 1 december 1918  benoemd tot machinist aldaar voor een jaarsalaris van 500 gulden met een duurtetoeslag van 150 gulden.

In mei 1945 werd hij overgeplaatst  als machinist van het stoomgemaal De Blauwe sluis tot 25 juni 1950.

 

De  zoekmachine Delpher geeft extra informatie over de familierelaties

.

R. Esser sr. was machinist op het stoomgemaal van de Polder Laag Hemmel te Gewande bij Alem.

Zijn kinderen:

Zoon:

R. Esser jr. was machinist op het stoomgemaal de Vliert en Ertveld en der stad                ’s Hertogenbosch

Zoon:

F. Esser was machinist op het stoomgemaal van Wamel

Zoon:

H. Esser 2de machinist te Gewande bij zijn vader R. Esser jr.

 

Dochter:

Louise  Esser die getrouwd was met P.J. Herckenrath machinist van het stoomgemaal in Maasbommel

Ook de naam J. Fliervoet staat genoemd die bij het spoor werkte. Hij was de vader van Louis Fliervoet die later machinist werd op het Maasbommels gemaal en stoomgemaal De Tuut aan de Appelternsche sluis.

 

 

 

 

 

 

 

 

Via de zoon van Johan Greep heb ik nog veel informatie gekregen die ik mocht gebruiken en soms aanvullen, verduidelijken of verbeteren.

Dit geeft een goed beeld hoe de machinisten een opleiding hadden gehad. Over de vader van Leo Greep hoorde ik van hem (zoon Leo dus) het volgende.

Mijn vader van het geslacht Greep van het eiland Tholen (Zeeland) is in Den Haag geboren op 25 juni 1885 en heeft daar 3 of 5 jaar gewoond.

Ambachtsschool Bussum

Zijn vader werkte bij ministerie  van Oorlog en was onderofficier bij de afdeling Fortification (verdedigingswerken).

Zij verhuisden naar een fort in/om de omgeving van Naarden.  Daar is mijn vader opgegroeid en na de lagere school is hij naar een Ambachtsschool in Bussum gegaan waarna hij later bij een smid heeft gewerkt op een uur lopen van huis. Hij behaalde dit smids examen op zijn 19 jaar. Waar is hem (Leo)  niet bekend.

Dat zou dan in 1904 gewest zijn.

 

 

Omdat J.C. Greep  meer van de wereld wilde zien  (dat gevoel had ik ook!) heeft hij aangemonsterd bij de Marine in Den Helder. Hij is begonnen als stoker en zou het later gebracht hebben tot tweede machinist of iets dergelijks. Hij had dus een technische opleiding met stoomervaring.

 

 

 

De Stokers

De stokers waren meestal op afroep beschikbaar maar moesten wel degelijk kennis van zaken hebben omdat een ketel stoken veilig moet gebeuren en tevens geld   kan besparen. Meestal waren deze mensen dus vaak al heel lang bij een gemaal betrokken.

De Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbossche courant maakte daar op 24-12-1906 melding van.

 

Deze stoker was dus in 1881 begonnen en heeft dus langdurig met machinist P.J. Herckenrath samengewerkt.

 

 

 

 

 

 

 

 

In 1956,  het laatste jaar van mijn MULO te Oss, kwam ik (Leo Greep) op de thuisreis met de fiets even bij het stoomgemaal van Appeltern langs waar mijn vader samen met Louis Fliervoet aan een veegbootje werkte. Fliervoet had een elektrisch lasapparaat en hier onder zijn leiding heb ik de eerste rug (las) gelegd op een stuk 4 mm plaatijzer.  Vast staat voor mij dat in mijn praktisch jaar van de H.T.S. het stoomgemaal van de Blauwe sluis gemaal buiten gebruik was. Dat was in 52/53.

Machinist Daanen heeft ook de ambachtsschool bezocht en waarschijnlijk Jo van Dinter ook maar dat is niet zeker.